Jérôme Gommers ( Parijs, 1961) publiceerde gedichten, essays en proza in onder meer De Revisor en Bunker Hill.

Erik Jan Harmens en Simon Vinkenoog noemden hem ooit niemands epigoon en prezen zijn gedichten om hun koele eigen toon, zowel afstandelijk als betrokken.

In deze bundel zijn twee reeksen en enkele langere gedichten opgenomen.

“Raadselachtig exuberant, hoogdravend, spannend en onvoorspelbaar, geestig ook…”
Arthur Lava.

Ja, dat is er een. Meer, meer, meer alsjeblieft.
Ingmar Heytze

Jérôme Gommers, Momentums laadklep. ISBN 978-94-92148-01-8, 64 pagina’s, €18,50.

Een exemplaar van de bundel kan worden besteld via het CB (boekhandel), via info@tijloos  of via bol.com

En ’s nachts de nacht weer (fragment)

En ’s nachts de nacht weer –
dat gitzwarte bladerdek,
het wegvallen van slogans, van krantenkoppen,
het wegvallen van alle rasterwerken van woorden,
bewegwijzering, infrastructuur, beheersplan…

De mist nevelt door je huis,
de gezwellen nevelen door je lichaam,
waar zijn je lieslaarzen, waad dan door de aarde,
in de loopgraaf lag hij, hij ademde,
op enkele steenworpen afstand de ademwolken
van de ander, dampend, wachtend…

Het wegvallen van slogans,
van krantenkoppen,
van alle rasterwerken van woorden,
denk je, zeg je…
dit zoekt naar complementaire beweging,
dit wil iets vinden, iets dat het zelf vooruit heeft
geworpen wellicht, voor zich uit heeft geworpen,
ergens een anker in slaan, waterskiën…
ergens aankloppen om uitleg,
ergens de deur intrappen om toelichting,
een gat hakken in de cementdroge aarde,
dit is het mompelen, het binnensmondse,
de mongool in je stompt en schopt…

En de thee in de theekopjes dampte
op een zomerse dag,
iemand stond op en zei: het is tijd,
het shutteltje dat vastzat tussen de takken
kwam los en viel geluidloos op de grond,
iemand knikte met zijn hoofd en liep de tuin uit
en een dikke bromvlieg cirkelde en zoemde en vloog
toen hoog weg boven de bomen…

En dat je denkt dat je weet wat je vroeger dacht
op zulke momenten, dat daarachter iets was,
dat ergens iets moest zijn, ooit nog iets zou komen
anders dan dit dat je al kende –
een ooit te bewonen huis,
een eens te bereiken eentonigheid,
een voortgang, onbekommerd,
onbecommentarieerde onophoud,
standvast, uitdrift…

(…) 

Uit de reeks Der nadagen zadige (ach nee toch…):

Dag in dag uit: zo waren eens de dagen… Maar nu – nu stond ik pal
voor elke dag. Ik maakte van mij: een kleine poort van vuur, waardoor

de leeuwin van de dag haar sprong ging maken. Ik heette haar: mijn roofdier
en mijn vriend. Dáár liet ik haar blinde nagels die ’s nachts door mijn deur

heen vraten, dáár haar nonchalance, haar op de rug liggend verteren van
een maaltijd die in mij voorbijging. In de spiegel zag ik de dag niet.

Op weg naar klanten was ik soms de dag. Vrienden máákten vaak de dag
( oooh… en deden haar duren, lengend in dunne hoge glaasjes tot in het

dunne hoge licht van de nieuwe d-d-dag waarin wij waren als de scherven
van Omar Khayyam ). De pijl moest eigenlijk door de roos héén. Iets als

een dracht, dacht ik nog terwijl ik achterover viel en mij het gedragene
uit handen werd geslagen ( het lege glas ). De kringen in het water groeien.

Er daarin steeds minder toe doen. ( Ergens steeds verder van af komen
staan – haha kan niet: eens een middelpunt altijd punt. ) En nog altijd

vielen wij achterover, op onze zachte matrassen, nabauwend wat wij wel
niet waren, prijzend wat over ons kwam, alsof uit de droesem en het goud

van ons spoor zich uiteindelijk één allesbegrijpende, wederzijdse knipoog
zou vormen – bij wijze van ring